« Alle nieuwsberichten

Recht op btw-aftrek van een vaste inrichting

Hoewel een vaste inrichting en haar hoofdhuis principieel samen één btw-belastingplichtige vormen, mag volgens het Hof van Justitie de omzet van de vaste inrichting en die van het hoofdhuis niet zomaar worden gecombineerd voor de beoordeling van het recht op aftrek in het land van de vaste inrichting of in het land van het hoofdhuis.

Eerder had het Hof van Justitie reeds een baanbrekend arrest geveld inzake de omzet die in rekening mag worden gebracht voor de beoordeling van btw-aftrek in het land van het hoofdhuis (C-388/11). Maar nu heeft het Hof van Justitie ook verduidelijkt welke regels gelden bij de beoordeling van de btw-aftrek in het land van de vaste inrichting (C-165/17).

Uit deze rechtspraak blijkt dat geval per geval moet worden nagegaan in welke mate de omzet van een vaste inrichting of een hoofdhuis in een ander land in rekening kan worden gebracht om het recht op btw-aftrek te bepalen.

Allocatie van kosten

Volgens het Hof van Justitie, moet er voor elke kost principieel worden nagegaan op welke type uitgaande handeling de kost betrekking heeft, ongeacht of deze handeling gesteld wordt door het hoofdhuis of de vaste inrichting zelf. Als er een exclusief verband bestaat met een handeling die recht op aftrek doet ontstaan, dan is de btw over deze kost volledig aftrekbaar. Als de kost exclusief betrekking heeft op een handeling die geen recht op aftrek doet ontstaan, dan kan er geen btw-aftrek gelden.

Voor gemengde kosten – dus kosten die zowel worden gebruikt voor handelingen die recht op aftrek doen ontstaan als handelingen waarvoor er geen recht op aftrek bestaat – is de btw slechts aftrekbaar overeenkomstig een verhoudingsgetal. Maar hoe moet dit verhoudingsgetal worden bepaald als een vaste inrichting kosten oploopt die enkel betrekking hebben op handelingen van het hoofdhuis, en andere kosten die zowel betrekking hebben op handelingen van het hoofdhuis als van de vaste inrichting zelf?

Merk op: in deze zaak (C-165/17) ging het om feiten die dateerden van vóór de invoering van de VAT Package. Sinds de invoering van art 22 van Uitvoeringsverordening nr 282/2011 is het veel minder waarschijnlijk dat een vaste inrichting btw oploopt m.b.t kosten die ook betrekking hebben op handelingen van andere inrichtingen.

Welke handelingen in verhoudingsgetal voor gemengde kosten?

Als een vaste inrichting gemengde kosten oploopt die enkel betrekking hebben op handelingen van het hoofdhuis, dan moet er voor de btw-aftrek een bijzonder verhoudingsgetal worden gehanteerd, dat enkel rekening houdt met de omzet van de handelingen van het hoofdhuis.

Als een vaste inrichting gemengde kosten oploopt die zowel bestemd zijn voor handelingen van de vaste inrichting zelf als deze van het hoofdhuis (‘algemene kosten’), dan moet er voor de btw-aftrek een verhoudingsgetal worden gehanteerd, dat rekening houdt met de omzet van zowel de handelingen van het hoofdhuis als deze van de vaste inrichting.

Het Hof van Justitie ging in deze zaak niet in op de situatie waarin de gemengde kosten enkel betrekking hebben op handelingen van de vaste inrichting, maar volgens de gevolgde redenering horen in dergelijk geval enkel de handelingen van de vaste inrichting in het verhoudingsgetal te worden opgenomen.

Een inrichting moet dus mogelijks 3 verschillende verhoudingsgetallen toepassen voor haar gemengde kosten, en dit kan echt een uitdaging zijn. Zo’n inrichting moet er immers niet alleen voor zorgen dat ze voor elke kost het ‘juiste’ verhoudingsgetal toepast, maar moet ook nog eens voor zorgen dat ze in geval van controle kan bewijzen dat de kost effectief betrekking heeft op de handelingen die in dat specifieke verhoudingsgetal zijn opgenomen.

Merk op: het Hof van Justitie nuanceerde terloops ook haar eerdere rechtspraak m.b.t. de btw-aftrek in het land van het hoofdhuis (C-388/11). In deze zaak had het Hof geoordeeld dat de omzet van de buitenlandse vaste inrichtingen niet mocht worden opgenomen in het verhoudingsgetal van het hoofdhuis. Volgens het Hof van Justitie was deze conclusie echter voornamelijk gebaseerd op het gegeven dat in de onderliggende casus een deel van deze omzet geen enkel verband hield met de gemaakte kosten. Kortom, bovenstaande principes zouden mutatis mutandis ook kunnen worden toegepast bij de beoordeling van het recht op btw-aftrek van het hoofdhuis.

Welke handelingen in de teller van het verhoudingsgetal?

Principieel doen volgende handelingen recht op btw-aftrek ontstaan:

  • Handelingen die in de lidstaat zelf effectief belast worden;
  • Handelingen die onder een vrijstelling vallen die recht op aftrek doet ontstaan (vb. uitvoer, intracommunautaire leveringen,…);
  • Handelingen die in een ander land worden verricht, maar die recht op aftrek zouden doen ontstaan indien ze in de betrokken lidstaat waren verricht;
  • Bepaalde vrijgestelde handelingen van verzekering en financiële diensten, indien de afnemer buiten de EU is gevestigd of indien deze handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om uit de EU te worden uitgevoerd.

Indien er omzet van een buitenlands hoofdhuis in het verhoudingsgetal van de vaste inrichting wordt opgenomen, omvat de teller concreet de omzet van de door het hoofdhuis verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in de lidstaat van de vaste inrichting zouden zijn verricht.

Voor sommige handelingen geldt er echter een ‘optioneel’ btw-stelsel; i.e. handelingen die principieel zijn vrijgesteld van btw en geen recht op aftrek doen ontstaan, maar waarvoor onder bepaalde voorwaarden kan worden geopteerd om tóch btw toe te passen. In dat laatste geval geldt er wel recht op btw-aftrek. Deze optionele stelsels gelden krachtens nationale wetgeving en verschillen dus van land tot land. Welnu, volgens het Hof van Justitie is het in dergelijk geval van belang om na te gaan of de belastingplichtige in het land waar btw werd opgelopen deze optie heeft gelicht, ten einde te bepalen of de handelingen recht op aftrek doen ontstaan overeenkomstig de derde bullet-point.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60