« Alle nieuwsberichten

Kan een dochtervennootschap voor btw-doeleinden een vaste inrichting vormen?

In de zaak Dong Yang Electronics (C-547/18) heeft het Hof van Justitie nog eens de puntjes op de i gezet inzake de vraag of een dochtervennootschap voor btw-doeleinden een vaste inrichting kan vormen voor de moeder vennootschap.

Het is zeker niet de eerste keer dat aan het Hof de vraag werd voorgelegd of een vennootschap voor btw-doeleinden een vaste inrichting van een andere vennootschap kan vormen.  Denk maar aan de arresten DFDS (C-260/95) of Welmory (C-605/12).  Anders dan in Welmory, ging het deze keer specifiek om de vraag of een dochtervennootschap als vaste inrichting kan kwalificeren van haar moeder.  En anders dan in DFDS, ging het in dit arrest specifiek over de kwalificatie als ‘aankoop’ vaste inrichting in de zin van art 11 van de btw-Uitvoeringsverordening.  De kwalificatie als ‘aankoop’ vaste inrichting kan specifiek relevant zijn om de plaats te bepalen waar een dienst in de zin van art 44 van de btw-Richtlijn wordt geacht plaats te vinden.

Het feit dat een vennootschap als vaste inrichting zou kwalificeren van een andere vennootschap, impliceert op zich dat beide vennootschappen als één btw-belastingplichtige zouden kwalificeren.  Normaal gezien is dit enkel mogelijk als beide vennootschappen deel uit maken van een btw-eenheid.

Het Hof van Justitie herhaalde dan ook dat het a priori niet evident is om een dochtervennootschap voor btw-doeleinden aan te merken als een vaste inrichting van de moedervennootschap.  Maar het Hof sluit ook niet uit dat het in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden wél mogelijk is.  Uiteindelijk is de economische en commerciële realiteit een fundamenteel criterium dat in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van btw. Er moet dus niet enkel op basis van het juridisch statuut van de betrokken entiteit, maar ook op basis van de economische en commerciële realiteit worden nagegaan of de voorwaarden van art 11 van de btw-Uitvoeringsverordening zijn voldaan om te kwalificeren als ‘aankoop’ vaste inrichting.

Wat moet de dienstverrichter controleren om na te gaan of een dochtervennootschap een ‘aankoop’ vaste inrichting vormt?

Artikel 22 van de btw-Uitvoeringsverordening bevat enkele criteria die de dienstverrichter in aanmerking moet nemen om te bepalen voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht:

  • Onderzoek naar de aard en het gebruik van de voor de afnemer verrichte dienst
  • Wie wordt door het contract, de bestelbon of het meegedeelde btw-nummer aangeduid als afnemer? En wie betaalt er voor de verrichte dienst?

Indien het op basis van deze criteria niet mogelijk zou zijn om de vaste inrichting van de afnemer aan te duiden, dan mag de dienstverrichter er rechtsgeldig vanuit gaan dat de diensten worden verricht op de plaats waar de afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. De dienstverrichter is bijgevolg niet verplicht om de contractuele verhoudingen na te gaan tussen de moedervennootschap en haar dochteronderneming.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60