« Alle nieuwsberichten

Hoe werkt de 30% fiscale EBITDA onderkapitalisatieregel in de praktijk?

Vanaf 2019 is de zogenaamde 30% fiscale EBITDA thin cap-regel van toepassing in België en vervangt deze de vroegere 5/1 thin cap-regel. Het Koninklijk Besluit van 20 december 2019 heeft verdere regels ingevoerd om Belgische vennootschappen en Belgische vaste inrichtingen in staat te stellen om de regel in de praktijk toe te passen. Wat betekent dit nu juist.

Volgens een thin cap-regel zijn interestkosten niet volledig fiscaal aftrekbaar voor een vennootschap of vaste inrichting (“VI”). Meer bepaald zijn, volgens de 30% fiscale EBITDA thin cap-regel, de netto interestkosten slechts fiscaal aftrekbaar voor zover ze niet hoger zijn dan de 30% van de fiscale EBITDA van de belastingplichtige. Echter, volgens een de minimis-regel zijn de interestkosten tot EUR 3.000.000 per jaar hoe dan ook fiscaal aftrekbaar indien ze marktconform zijn en opgelopen zijn in het zakelijk belang van de belastingplichtige.

Welke interestkosten worden geviseerd?

Vooreerst moeten we definiëren welke interestkosten daadwerkelijk geviseerd worden door de nieuwe thin cap-regel. In essentie kunnen de regels als volgt worden samengevat:

  • Interestbetalingen tussen Belgische groepsvennootschappen vallen niet onder de reikwijdte van de thin cap-regel. Deze kosten zijn dus in principe fiscaal aftrekbaar.
  • Bijgevolg is de thin cap-regel voornamelijk gericht op interestkosten betaald aan derden (bv. een bank) en aan begunstigden gevestigd buiten België.
  • Daarnaast moet de interest betrekking hebben op een lening afgesloten vanaf 17 juni 2016 of op een lening afgesloten voor die datum, maar waarvan de modaliteiten per 17 juni 2016 aanzienlijk zijn gewijzigd.
  • Er worden alleen “netto” interestkosten geviseerd, t.w. interestkosten verminderd met interestopbrengsten. Dit is het zogenaamde “financieringskostensurplus”.

We moeten ook onderstrepen dat het begrip “interest” niet alleen traditionele interesten omvat zoals wij die kennen, maar ook betalingen die als economisch gelijkwaardig worden beschouwd aan interestbetalingen, bvb:

  • Inkomsten verkregen uit een winstdeelnemende lening
  • Inkomsten verkregen uit een nulcouponobligatie of converteerbare obligatie
  • In het geval van alternatieve financieringsregelingen (bvb. Islamitische financieringen), het overschot (andere dan een winstaandeel) dat de geldschieter van de lener zal ontvangen op de vervaldatum.
  • Afschrijving of waardeverminderingen van interesten geactiveerd op balans in overeenstemming met de Belgische boekhoudwetgeving
  • “Interesten” indien dit zo wordt gedefinieerd door de toepasselijke verrekenprijsregels.
  • Wisselresultaten als deze betrekking hebben op “interest” bedragen
  • Garantie- of afwikkelingsprovisies indien deze betrekking hebben op een financiële transactie
  • Bij een renteloze of abnormaal rentende vordering die betaald wordt na meer dan 1 jaar, wordt verondersteld dat er een rente vervat zit in die vordering. Deze rentecomponent moet ook in rekening gebracht worden.

Op basis van een positieve rulingbeslissing kunnen belastingplichtigen ook andere vormen van vergoeding beschouwen als “economisch evenwaardig aan interest”, maar enkel als de rulingbeslissing ook de tegenpartij van de financiële transactie in kwestie bindt.

Verplichting om EBITDA-test op groepsniveau uit te voeren

Als Belgische vennootschappen en Belgische VI’s tijdens het volledige boekjaar deel uitmaken van een ‘groep’, moeten ze in principe een geconsolideerde fiscale EBITDA becijferen. Hierbij moet opgemerkt worden dat:

  • Intra-groep transacties die een impact hebben op de fiscale EBITDA moeten buiten beschouwing worden gelaten
  • Een eventuele negatieve EBITDA komt in mindering van de positieve EBITDA’s
  • Echter, indien zo bedongen in een overeenkomst afgesloten tussen groepsvennootschappen, kunnen groepsvennootschappen afzien van deze geconsolideerde fiscale EBITDA berekening. Hun fiscale EBITDA zal aldus EUR 0 bedragen voor thin cap-doeleinden.

Evenredige verdeling van het EUR 3.000.000 de minimis grensbedrag

Als een groep bestaat uit Belgische vennootschappen en VI’s, moet het grensbedrag van EUR 3.000.000 verdeeld worden over de verschillende belastingplichtigen. De verdeling dient te gebeuren op basis van de volgende 4 stappen:

  • Stap 1: Vooreerst wordt het bedrag van EUR 3.000.000 verminderd met 30% van de geconsolideerde fiscale EBITDA, t.w.. de som van de fiscale EBITDA van elke Belgische groepsvennootschap of VI. Dus hoe groter de groeps EBITDA, hoe lager het nog te verdelen grensbedrag. Bovendien betekent een groeps EBITDA van EUR 10.000.000 of meer dat de volgende stappen geen uitwerking meer kunnen kennen en dat de thin cap impact per Belgische groepsvennootschap of VI afgeklokt wordt op 30% van hun resp. fiscale EBITDA.
  • Stap 2: Per belastingplichtige wordt het positieve verschil tussen het financieringskostensurplus en 30% van de fiscale EBITDA van de groepsvennootschap of VI bepaald.
  • Stap 3: Het positieve verschil dat bekomen werd in Stap 1 wordt vervolgens verdeeld over de Belgische groepsvennootschappen op basis van de verdeelsleutel bekomen in Stap 2. Indien stap 2 een negatief bedrag opleverde voor een Belgische groepsvennootschap (en het financieringskostensurplus aldus kleiner is dan 30% van de fiscale EBITDA), moet er aan deze vennootschap geen bedrag worden toegekend.
  • Stap 4: Tot slot wordt het grensbedrag per belastingplichtige berekend door 30% van zijn fiscale EBITDA te verhogen met het bedrag dat in Stap 3 aan de betrokken belastingplichtige werd toebedeeld.

Enkele andere bemerkingen

  • Als een Belgische belastingplichtige een overschot aan thin cap-capaciteit heeft om het financieringskostensurplus te absorberen, kan hij een overeenkomst sluiten met een andere Belgische groepsvennootschap of VI (die te maken krijgt met een tekort aan thin cap-capaciteit) om dat overschot over te dragen. In dat geval, moet de laatst genoemde een bedrag betalen dat gelijk is aan het vennootschapsbelastingvoordeel van die overtollige thin cap-capaciteit aan de eerstgenoemde.
  • Om het proces te vereenvoudigen, kunnen de Belgische groepsleden ook besluiten om het bedrag van EUR 3.000.000 op gelijke basis te verdelen. Deze methode heeft vooral tot doel de complexiteit van deze maatregel te verzachten voor belastingplichtigen waarvoor hij helemaal niet bedoeld is, bvb. wanneer het bedrag van het geconsolideerde financieringskostensurplus veel lager is dan EUR 10.000.000.

Zoals uit bovenstaande overwegingen kan worden afgeleid, is de nieuwe 30% fiscale EBITDA thin cap-regel nogal complex. Daarom raden wij de belastingplichtigen aan om de nieuwe belastingregels ruim op tijd te analyseren om de impact op hun specifieke situatie vast te stellen en passende maatregelen te nemen, indien en voor zover dit nodig zou zijn.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60