« Alle nieuwsberichten

Fiscale behandeling van een niet-concurrentievergoeding

De fiscale behandeling van een niet-concurrentievergoeding in een grensoverschrijdende context kan leiden tot discussie met de verschillende betrokken belastingautoriteiten. Inderdaad, de vraag stelt zich dan welk land heffingsbevoegdheid is, t.w. ofwel het land van de vennootschap die de betaling doet en vaak de werkstaat van de begunstigde is ofwel het land van fiscale woonplaats van deze begunstigde. Een recente beslissing van het Hof van Beroep van Brussel schijnt een interessant licht op dit debat.

Met name inzake niet-concurrentievergoedingen, is het altijd een controversiële zaak geweest om te besluiten welk land heffingsbevoegd is als meerdere landen betrokken zijn. Zonder in detail te treden zijn de volgende “oplossingen” reeds verdedigd door zowel de rechtspraak als de rechtsleer:

  • Het land van de fiscale woonplaats van de vennootschap die de betaling doet;
  • Het land waar de begunstigde van de vergoeding niet langer beroepswerkzaamheden kan uitoefenen ten gevolge van de niet-concurrentievergoeding;
  • Het land van de fiscale woonplaats van de begunstigde van de vergoeding;
  • Het laatste land waarin de begunstigde van de vergoeding heeft gewerkt vóór het ontvangen van de vergoeding.

In principe is het traditionele standpunt van de Belgische fiscus dat, als is aangetoond dat een niet-concurrentiebeding niet enkel betrekking heeft op eerdere beroepswerkzaamheden maar ook op toekomstige beroepswerkzaamheden van de begunstigde van de vergoeding, de vergoeding belastbaar zou moeten zijn in het land waar de begunstigde zijn fiscale woonplaats heeft bij ontvangst van de vergoeding. Echter, er moet opgemerkt worden dat de Belgische rechtspraak dit standpunt niet altijd volgt …

Hof van Beroep van Brussel, 3 januari 2019

Op 3 januari 2019 heeft het Hof van Beroep van Brussel beslist dat een niet-concurrentievergoeding betaald door een in België gevestigde vennootschap aan een in Frankrijk gevestigde persoon enkel belastbaar was in het land van de fiscale woonplaats van de begunstigde, t.w. Frankrijk. Het feit dat de persoon gedurende vele jaren heeft gewerkt voor een Belgische werkgever, zijnde 5 jaar vóór het ontvangen van de niet-concurrentievergoeding, heeft de uitkomst van de analyse van het dubbelbelastingverdrag niet veranderd. Inderdaad, het Hof van Brussel is van oordeel dat de betaling die verschuldigd is door een niet-concurrentiebeding, per definitie, niet langer een direct causaal verband heeft met de (eerdere) beroepswerkzaamheden van de begunstigde. Omgekeerd zelfs:, een niet-concurrentievergoeding komt intrinsiek voort uit werkzaamheden uitgeoefend door de begunstigde volgend op het einde van de arbeidsovereenkomst. Meer nog: de betaling wordt gespreid in de tijd met het doel dat de begunstigde nalaat om concurrerende werkzaamheden uit te oefenen zoals gedefinieerd in het niet-concurrentiebeding. Bijgevolg, na een diepgaande analyse van het dubbelbelastingverdrag België – Frankrijk, is enkel Frankrijk heffingsbevoegd om de persoon te belasten op deze niet-concurrentievergoeding.

De betaling van niet-concurrentievergoedingen of morele schadevergoedingen, leidt vaak tot subjectieve discussies met de fiscus wat hun classificatie voor belastingdoeleinden betreft en welk land heffingsbevoegd is, in het bijzonder in een grensoverschrijdende context. Onnodig te zeggen dat de contractuele verwoording die overeengekomen is tussen werkgever en (ex)werknemer een (significante) impact kan hebben op de fiscale analyse.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60