« Alle nieuwsberichten

Contractuele schadevergoeding is niet steeds ‘schadevergoeding’

Een ‘schadevergoeding’ valt buiten de werkingssfeer van de btw als de vergoeding geen tegenprestatie vormt voor de levering van een dienst of een goed. In de praktijk valt niet altijd gemakkelijk uit te maken of dit daadwerkelijk het geval is. In het bijzonder bij contractuele schadevergoedingen kan dit aanleiding geven tot discussie.

Recent heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de kwalificatie van een bedrag dat door een klant moest worden betaald naar aanleiding van de vroegtijdige beëindiging van een contract (C-295/17). Het ging concreet om een dienstenovereenkomst met een minimumduur, waarbij het contract bij vroegtijdige beëindiging door de klant voorzag in een forfaitaire schadevergoeding die gelijk was aan de vergoeding die de klant zou verschuldigd zijn bij de normale uitvoering van de overeenkomst. In deze casus oordeelde het Hof van Justitie dat de contractuele ‘schadevergoeding’ toch moest worden aangemerkt als de vergoeding voor een dienst verricht onder bezwarende titel en dat er dus btw verschuldigd was over deze vergoeding.

Uit dit arrest blijkt dat men zich bij de beoordeling van de btw-technische kwalificatie van de vergoeding specifiek de vraag moet stellen of er iets wijzigt aan de economische realiteit tussen de leverancier en de afnemer? In de praktijk zal het eerder uitzonderlijk zijn dat de stopzetting van een overeenkomst niets wijzigt aan de economische realiteit tussen de leverancier en de afnemer, maar dit kan zich wel voordoen in situaties waarbij de overeenkomst geen verplichting inhoudt voor de klant om de dienst te gebruiken.

Als een klant in het kader van de uitvoering van de overeenkomst het recht heeft om een dienst niet te gebruiken, en de vergoeding die hij betaalt dezelfde is ongeacht of hij gebruik maakt van de dienst, dan mag volgens het Hof van Justitie de keuze van de klant om de dienst al dan niet te gebruiken geen impact hebben op de btw-behandeling. Zo had het Hof van Justitie eerder al beslist dat de btw-behandeling van een vliegtuigticket niet kan veranderen als de klant uiteindelijk niet opdaagt voor de vlucht.

Het Hof van Justitie heeft nu geoordeeld dat dit evenzeer het geval kan zijn bij een dienstenovereenkomst (concreet: een telecomabonnement) met een minimumduur, die niet in een verplichting voorziet voor de klant om de dienst te gebruiken, en die bij vroegtijdige beëindiging door de klant voorziet in een forfaitaire schadevergoeding die gelijk is aan het bedrag die verschuldigd zou zijn bij een normale uitvoering van de overeenkomst. In dergelijke omstandigheid wijzigt de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst de economische realiteit tussen leverancier en afnemer immers niet.

Conclusie

De btw-behandeling van een contractuele schadevergoeding wegens vroegtijdige verbreking van de overeenkomst moet geval per geval worden beoordeeld. Als de vergoeding niets wijzigt aan de economische realiteit tussen de leverancier en de afnemer, zal de vergoeding btw-technisch niet kwalificeren als een schadevergoeding, ondanks de burgerrechtelijke kwalificatie van de vergoeding.