Archief nieuwsbrieven

Onze kennisbibliotheek

In welke mate vermindert het voordeel van alle aard m.b.t. bedrijfswagens de verworpen autokosten?

Volgens het Belgisch belastingrecht zijn de meeste auto gerelateerde uitgaven enkel gedeeltelijk fiscaal aftrekbaar afhankelijk van de CO2 uitstoot van de betrokken auto. Deze autokosten worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven van de vennootschap.

Anderzijds, als de vennootschap een bedrijfsauto toekent aan bestuurders en/of werknemers zijn de onderliggende autokosten slechts beperkt aftrekbaar zoals hierboven uitgelegd, terwijl de bestuurder of werknemer onderworpen is aan progressieve Belgische personenbelasting tarieven op een voordeel van alle aard (“VAA”) waarvan de belastbare basis berekend wordt op een forfaitaire basis, ook hoofdzakelijk in functie van CO2 uitstoot van de auto. Welnu, om dubbele belasting te vermijden (t.w. zowel voor vennootschapsbelasting als personenbelasting doeleinden), kan het VAA in aftrek genomen worden van de desbetreffende verworpen auto uitgaven.

Als de werknemer of bestuurder bovendien een private bijdrage voor het gebruik van de bedrijfswagen betaalt aan de werkgever, vermindert deze bijdrage de belastbare basis van het VAA voor personenbelasting doeleinden.

Volgens het antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag van 22 oktober 2014, zou deze private bijdrage de verworpen auto uitgaven niet verminderen (ook al wordt deze bijdrage geboekt als inkomen in de resultatenrekening van de onderneming en is deze aldus begrepen in de belastbare basis van de vennootschap).

Echter, op 12 februari 2019 ging het Hof van Beroep van Antwerpen niet akkoord met de visie van de minister van Financiën en oordeelde dat het volledige bedrag van het VAA (d.w.z. zonder aftrek van de private bijdrage) de verworpen auto uitgaven zou moeten verminderen.

De redenering en conclusie van deze rechtspraak worden indirect gesteund door nieuwe Belgische belastingwetgeving. Inderdaad, de nieuwe regel zegt dat, als auto uitgaven als zodanig worden doorgerekend naar een andere persoon, er niet langer een verworpen auto uitgave is voor de persoon die doorrekent (terwijl de persoon aan wie de auto uitgaven worden doorgerekend deze uitgave moet rapporteren als een verworpen auto uitgave in zijn belastingaangifte).

Op basis van nieuwe Belgische belastingwetgeving en recente rechtspraak, hebben belastingplichtigen in België argumenten om het volledige bedrag van een VAA als gevolg van het privaat gebruik van een bedrijfswagen in aftrek te nemen van hun verworpen uitgaven, zelfs als de werknemers/bestuurders een private bijdrage hebben gemaakt. Volledigheidshalve moeten we melden dat de Belgische fiscus zijn eerder standpunt nog niet officieel heeft gewijzigd.

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Wie loopt hoger risico op een Belgische belastingcontrole?

Het is gebruikelijk dat de Belgische fiscus communiceert over welke belastingplichtigen hij extra in het vizier zal nemen bij het plannen van belastingcontroles. Hierna staan we kort even stil bij welke belastingplichtigen blootgesteld staan aan een hoger risico op een belastingcontrole en hoe deze belastingplichtigen zich het best voorbereiden. Merk op dat het loutere feit dat iemand op deze lijst prijkt niet als dusdanig betekent dat er zich ook daadwerkelijk een controle zal voltrekken.

Natuurlijke personen met een buitenlandse bankrekening

Sinds vele jaren hebben natuurlijke personen onderworpen aan Belgische belasting de wettelijke verplichting om, onder andere, buitenlandse bankrekeningen te rapporteren in hun Belgische aangifte personenbelasting en bij de Nationale Bank van België. Zo’n rapporteringsverplichting heeft een belangrijke impact op de Belgische fiscale afrekening van deze natuurlijke persoon omdat laatstgenoemde zijn dividend- en interestinkomsten van buitenlandse oorsprong, dat nog niet onderworpen was aan Belgische roerende voorheffing, moet rapporteren. Echter, het is gebleken dat veel natuurlijke personen deze rapporteringsverplichting niet naleven. Bijgevolg zal de Belgische fiscus focussen op deze natuurlijke personen en zal hij boetes toepassen in geval van niet-naleving.

Natuurlijke personen die hun werkelijke beroepskosten bewijzen

Fiscale inwoners van België kunnen bij de indiening van hun aangifte in de personenbelasting ofwel een forfaitaire kostenaftrek toepassen dan wel hun werkelijke beroepskosten bewijzen. De forfaitaire kostenaftrek wordt berekend door bij wet gedefinieerde schijven toe te passen op het nettoloon. Belastingplichtigen en met name bedrijfsleiders die hun werkelijke beroepskosten claimen, moeten voorbereid zijn op de vraag om bv. kopieën van restauranttickets, kasuitgaven, facturen, bankafschriften, enz. voor te leggen. Deze personen moeten in het bijzonder het werkelijke beroepskarakter van de kosten kunnen aantonen.

Natuurlijke personen die onroerend goed verhuren

Natuurlijke personen die onroerend goed verhuren, zijn onderworpen aan een verschillende Belgische personenbelasting behandeling afhankelijk van de aard van het gebruik door de huurder van het pand. Samengevat: als de huurder het pand gebruikt voor private woning doeleinden, zal de eigenaar een lagere fiscale afrekening krijgen dan wanneer de huurder het onroerend goed gebruikt voor professionele doeleinden. Blijkbaar maken vele verhuurders het werkelijke gebruik van het verhuurde pand niet bekend aan de Belgische fiscus om hun Belgische personenbelasting tarief te optimaliseren. Daarom zal de Belgische fiscus deze personen aan meer diepgaand onderzoek onderwerpen.

Natuurlijke personen die onderhoudsgelden overschrijven naar het buitenland

Het blijkt dat veel in België gevestigde natuurlijke personen onderhoudsgelden overschrijven naar een buitenlandse begunstigde en aanspraak maken op een Belgische personenbelasting aftrek. Echter, in vele gevallen bereikt het geld niet de begunstigde die als zodanig gerapporteerd is in de Belgische aangifte personenbelasting. Dit verklaart waarom de Belgische fiscus deze materie van dichterbij zal opvolgen.

Vennootschappen die inkomsten van buitenlandse oorsprong genieten

In België gevestigde vennootschappen die buitenlandse inkomsten genieten, geven deze inkomsten blijkbaar niet altijd aan in België. Daarom zal de Belgische fiscus deze dossiers zorgvuldig onderzoeken.

Vennootschappen met een abnormale omzet

Vennootschappen die een abnormale omzet realiseren in vergelijking met vennootschappen die actief zijn in dezelfde sector zullen geselecteerd worden voor belastingcontrole doeleinden. Aangezien de Belgische fiscus data mining methodes toepast om belastingcontroles te organiseren, zal dit makkelijk geïmplementeerd kunnen worden.

Holdingvennootschappen

Volgens eerder Belgisch belastingrecht was het mogelijk voor natuurlijke personen om aandelen aan marktwaarde in te brengen in een holdingvennootschap en nadien een belastingvrije kapitaalvermindering te realiseren. Dit liet de natuurlijke persoon toe om de winst belastingvrij te laten opstromen van de werkvennootschap waarvan de aandelen zijn ingebracht in de holdingvennootschap naar de natuurlijke persoon. Ter vergelijking: een dividend uitgekeerd door de werkvennootschap naar de natuurlijke persoon zou onderworpen zijn aan, momenteel, 30% personenbelasting. De Belgische fiscus zal kapitaalverminderingen verricht door holdingvennootschappen, volgend op een eerdere zgn. “interne meerwaarde” inbreng, controleren om na te gaan of deze transactie fiscaal misbruik uitmaakt of niet.

Vennootschappen met buitensporige of abnormale kosten

Vennootschappen waarvan de resultatenrekening “buitensporige” of “abnormale” kosten vertoont in vergelijking met vennootschappen actief in dezelfde sector, zullen geselecteerd worden voor Belgische belastingcontrole doeleinden. Nogmaals, aangezien de Belgische fiscus data mining methodes toepast om belastingcontroles te organiseren, zal dit makkelijk geïmplementeerd kunnen worden.

Vennootschappen die een liquidatiereserve geboekt hebben

Belgische kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) met een natuurlijke persoon als aandeelhouder hebben de optie om jaarlijks een liquidatiereserve te boeken en hierover een bijkomende 10% Belgische vennootschapsbelasting te betalen. In dat geval kan de liquidatiereserve belastingvrij uitgekeerd worden (bij de ontbinding van de vennootschap) aan de natuurlijke persoon of tegen een verlaagd tarief aan roerende voorheffing (bij dividenduitkering). Bij een belastingcontrole zal de Belgische fiscus nagaan of alle voorwaarden vervuld waren.

Belastingplichtigen die op de hitlijst van de Belgische fiscus staan, bereiden best een “stevig dossier” met feitelijke bewijzen voor om vlot mogelijke vragen van de Belgische fiscus te kunnen beantwoorden.

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Hoe het forfaitair bedrag van het voordeel van alle aard berekenen in geval van private bijdrage?

Het komt vaak voor dat bv. een werknemer of bestuurder een voordeel van alle aard (“VAA”) geniet wat wordt gefinancierd door zijn of haar werkgever. Traditionele voorbeelden zijn gratis huisvesting, een bedrijfslening, etc. Omdat er een duidelijk causaal verband is tussen het voordeel en de beroepsrelatie tussen werkgever en begunstigde, ontstaat er een VAA voor belasting doeleinden. Dit VAA is onderworpen aan progressieve Belgische personenbelasting tarieven (max. 50%) en meestal ook aan Belgische sociale zekerheid. Echter, volgens de Belgische belastingwetgeving wordt de belastbare basis van sommige van deze VAA gewaardeerd op forfaitaire basis.

Anderzijds betaalt de begunstigde van het voordeel in sommige gevallen een private bijdrage uit zijn of haar netto loon aan de werkgever.

Ter zake is het de traditionele zienswijze van de Belgische fiscus dat, om een belastbaar VAA te vermijden, de begunstigde een private bijdrage moet betalen gelijk aan minstens de forfaitaire belastbare basis van het VAA. Met andere woorden en in de veronderstelling dat het forfaitair VAA EUR 1.000 is terwijl de begunstigde een private bijdrage doet van EUR 700, is de belastbare basis EUR 300.

Echter, recente Belgische rechtspraak is het niet eens met deze interpretatie van de Belgische fiscus:

  • Op 17 november 2017 heeft de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen gevonnist dat als een bestuurder een marktconforme huur betaalt aan een vennootschap / verhuurder, er geen belastbaar VAA ontstaat, zelfs als de eigenlijke huur lager is dan het forfaitair VAA;
  • Op 28 mei 2019 oordeelde het Hof van Beroep van Antwerpen dat als een bestuurder een marktrente betaalt aan een vennootschap die hem geld geleend heeft, er geen belastbaar VAA ontstaat, zelfs als de eigenlijke rentevoet lager is dan deze met het oog op berekening van het forfaitair VAA.

Als vennootschappen extralegale voordelen aanbieden aan werknemers en bestuurders, kunnen ze overwegen om de begunstigde een private bijdrage te laten betalen gelijk aan een marktconforme vergoeding. In dat geval en op basis van recente rechtspraak, zijn er argumenten om te verdedigen dat geen belastbaar VAA ontstaat!

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Impact van de nieuwe statutaire zetelleer op het Belgisch belastingrecht

Fel samengevat: overeenkomstig de “werkelijke zetelleer” wordt een vennootschap beheerst door het recht van het land waar die vennootschap haar “belangrijkste zetel van werkelijke leiding” heeft, ongeacht haar land van oprichting. Omgekeerd: overeenkomstig de “statutaire zetelleer” wordt een vennootschap beheerst door het recht van haar land van oprichting en dit recht wordt doorgaans uitdrukkelijk vermeld in de oprichtingsakte en de statuten van die vennootschap. In dit laatste geval doet het land van werkelijke leiding van de vennootschap er niet toe.

De voornaamste redenen waarom de Belgische overheid de beslissing heeft genomen om over te stappen van werkelijke naar statutaire zetelleer zijn als volgt samen te vatten:

  • België aantrekkelijker maken als investeringsland omdat de statutaire zetelleer meer flexibiliteit biedt;
  • Men wil zgn. forum shopping ontmoedigen aangezien de betrokken vennootschap in elk geval onderworpen blijft aan het vennootschapsrecht van haar land van oprichting;
  • Het minimaliseren van compliance conflicten met het EU recht, aangezien de werkelijke zetelleer in sommige gevallen het recht van vrij verkeer van personen schond.

Dit brengt ons naadloos tot de vraag welke impact de introductie van de statutaire zetelleer heeft op het Belgisch belastingrecht?

Om te beginnen brengen we ter zake in herinnering dat de Belgische wetgever heeft benadrukt dat de aanpassing van het vennootschapsrecht fiscale neutraliteit beoogt. Desalniettemin zijn de voornaamste gevolgen op fiscaal vlak als volgt samen te vatten:

  • Een vennootschap kwalificeert als een “inwoner van België” voor fiscale doeleinden wanneer zij haar zetel van werkelijke leiding in België heeft, ongeacht het land van oprichting. Om extra in de verf te zetten dat de statutaire zetelleer niet doorwerkt voor fiscale doeleinden worden alle verwijzingen in het fiscaal recht naar de term “maatschappelijke zetel” verwijderd;
  • Daarom kunnen zich de volgende situaties voordoen:

o Een vennootschap kan worden opgericht naar Belgisch recht, maar toch niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting in België als zou blijken dat zij wordt beheerd en gecontroleerd vanuit het buitenland;

o Een vennootschap kan worden opgericht naar buitenlands vennootschapsrecht, maar toch onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting in België als zou blijken dat zij wordt beheerd en gecontroleerd vanuit België.

  • In het licht van het voorgaande is een nieuw weerlegbaar wettelijk vermoeden toegevoegd aan het Belgisch belastingrecht: een vennootschap wordt geacht onderworpen te zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting wanneer zij is opgericht naar Belgisch vennootschapsrecht, tenzij die vennootschap aantoont dat zij werkelijk wordt geleid in het buitenland en dat zij tevens onderworpen is aan de vennootschapsbelasting in het buitenland conform zowel het lokaal intern recht als het desbetreffende dubbelbelastingverdrag;
  • Zulke nieuwe benadering van het begrip “fiscaal inwoner” van België of elders slaat meteen een bruggetje naar de vraag welke boekhoudwetgeving aan zet is in hoofde van die betrokken vennootschap, in het bijzonder wanneer zij naar buitenlands vennootschapsrecht is opgericht, maar werkelijk geleid wordt vanuit België? Zeer wellicht zal die vennootschap de boekhoudwetgeving van haar land van oprichting moeten naleven. Anderzijds is een vennootschap onderworpen aan Belgische vennootschapsbelasting belastbaar op haar wereldwijde netto-inkomsten met het BE GAAP resultaat als startpunt. Daarom is de Belgische fiscale wetgeving aangepast zodanig dat een vennootschap die (ongeacht haar statutaire zetel) onderworpen is aan Belgische vennootschapsbelasting of een Belgische vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap, verplicht is een boekhoudsysteem, inventarislijst en een jaarrekening te hebben die gelijkaardig moet zijn aan wat verwacht wordt van een “Belgisch lichaam” wat naar zijn juridische aard het beste aansluit met de buitenlandse vennootschap of vaste inrichting;
  • Opdat een reorganisatie (bv. fusie, splitsing, inbreng, enz.) belastingvrij kan voltrokken worden, is het niet meer vereist dat de transactie wordt uitgevoerd bij correcte toepassing van het vennootschapsrecht;
  • Tevens zijn er een aantal bijzondere bepalingen m.b.t. fiscaal transparante entiteiten geïntroduceerd aangezien de fiscale transparantie of niet voor Belgische fiscale doeleinden voortaan ook sterk zal beïnvloed worden door het buitenlands vennootschapsrecht.

Vennootschappen die actief zijn in België moeten zich bewust zijn dat er voortaan een groot intrinsiek verschil is tussen de toepasbare vennootschapsrechtelijke regelgeving (t.w. de statutaire zetelleer) en deze op fiscaal vlak (t.w. de werkelijke leiding en controle–test). Deze vennootschappen moeten er met name op toezien dat zij beide wetgevingen correct toepassen gelet op de nieuwe hybride aanpak.

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Impact van het nieuwe ondernemingsrecht op de verplichting tot rapportering van inkomen

Het Belgisch ondernemingsrecht maakt deel uit van Belgisch privaatrecht en richt zich op rechtspersonen met een winstoogmerk, d.w.z. voornamelijk commerciële vennootschappen en natuurlijke personen met een beroepsactiviteit.

Vanaf 1 november 2018 is het toepassingsgebied van Belgische boekhoudverplichtingen uitgebreid naar natuurlijke personen met professionele activiteiten in België. Dit werpt een nieuw licht op welke betalingen aan deze begunstigden moeten gerapporteerd worden op een fiche 281.50 door de schuldenaar van het inkomen:

  • Betalingen gedaan vóór 1 november 2018 aan natuurlijke personen die onder andere een vrij beroep uitoefenen (bv. een dokter) of een zelfstandige activiteit (bv. een consultant) moeten gerapporteerd worden op een fiche 281.50, ongeacht of de begunstigde onderworpen is aan de Belgische btw-wetgeving of niet en ongeacht of hij een factuur stuurt of niet;
  • Betalingen gedaan vanaf 1 november 2018 aan natuurlijke personen die onder andere een vrij beroep of een zelfstandige activiteit uitoefenen, moeten enkel gerapporteerd worden op een fiche 281.50 als de begunstigde geen btw-conforme factuur heeft gestuurd;
  • Betalingen gedaan aan een buitenlandse begunstigde moeten altijd gerapporteerd worden op een fiche 281.50 als hij niet onderworpen is aan de Belgische boekhoudwetgeving, ongeacht of hij een factuur stuurt of niet.

Belgische schuldenaren van kwalificerende betalingen moeten zorgvuldig deze nieuwe regels en de bijhorende administratieve richtlijnen in acht nemen om de vennootschapsbelasting aftrek van de betalingen te vrijwaren en om niet bloot te staan aan de Belgische aanslag geheime commissielonen van 103% (als de begunstigde een natuurlijke persoon is) of 51,5% (als de begunstigde een vennootschap is) van de niet-gerapporteerde betalingen.

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Versnelde btw-teruggave voor starters

Bepaalde btw-plichtigen hebben vandaag reeds de mogelijkheid om een versnelde terugbetaling van hun btw-krediet te bekomen mits ze daartoe een vergunning aanvragen. Dergelijke vergunning kan slechts worden aangevraagd door ondernemingen die op maandelijkse basis btw-aangiften indienen, waarvan de omzet van het afgelopen kalenderjaar voor minstens 30% betrekking heeft op bepaalde soorten handelingen, en waarvan het btw-krediet voor dat kalenderjaar 12.000 EUR overschrijdt. Veel startende ondernemingen komen echter niet in aanmerking voor zo’n vergunning.

Vanaf 1 januari 2020 kunnen startende ondernemingen nu genieten van het stelsel van de maandelijkse teruggave van het btw-tegoed zonder in het bezit te zijn van een maandelijkse btw-teruggaafvergunning.

Om van de versnelde teruggave te kunnen genieten moeten een aantal voorwaarden zijn vervuld:

  • De versnelde teruggave kan worden gevraagd voor het btw-tegoed dat betrekking heeft op de eerste 24 maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit (zoals aangegeven op het formulier 604A);
  • Het btw-tegoed moet minstens € 245 bedragen;
  • De btw-aangiften moeten op maandelijks basis en elektronisch worden ingediend;
  • Alle btw-aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar moeten tijdig worden ingediend;
  • De btw-teruggave moet uitdrukkelijk worden aangevraagd in de btw-aangifte.

De btw wordt aan de startende onderneming terugbetaald ten laatste tijdens de tweede maand die volgt op het tijdvak van de maandelijkse btw-aangifte. Wanneer een btw-tegoed wordt teruggevraagd, is de kans wel groter dat een btw-teruggaafcontrole plaatsvindt. De btw-administratie gaat dan na wat het btw-tegoed heeft veroorzaakt en of dit wel terecht is.

Lees de nieuwsbrief (PDF)

Versoepeling voor btw-eenheid

Vrijwillige ontbinding van de btw-eenheid

Een belastingplichtige die toetreedt tot een btw-eenheid, is volgens art 2 KB nr. 55 in principe verplicht om lid te blijven van deze btw-eenheid tot het einde van het derde kalenderjaar dat volgt op het tijdstip van toetreding.

Uit deze bepaling zou men kunnen afleiden dat de btw-eenheid niet binnen deze driejarige termijn kan worden ontbonden tenzij de basisvoorwaarden niet langer zijn vervuld. De btw-administratie heeft nu verduidelijkt dat een btw-eenheid binnen deze termijn wel degelijk vrijwillig ontbonden kan worden. Het is echter niet toegestaan dat een lid binnen deze termijn vrijwillig zou uittreden, terwijl de btw-eenheid blijft bestaan.

Economische verbondenheid

Het is volgens de btw-administratie slechts mogelijk om een btw-eenheid te vormen wanneer de voorwaarden inzake financiële, economische en organisatorische verbondenheid op het moment van de aanvraag effectief zijn vervuld. Daarom aanvaardde de btw-administratie tot nu toe niet dat de loutere bedoeling van een belastingplichtige om een gebouw in oprichting in de nabije toekomst te verhuren aan een andere belastingplichtige reeds volstond om de economische verbondenheid te bewijzen.

Dit standpunt wordt nu genuanceerd. De btw-administratie aanvaardt voortaan dat een belastingplichtige de economische verbondenheid kan aantonen o.b.v. de toekomstige verhuur van een gebouw, als dit gebouw op het moment van de vorming van de btw-eenheid nog in oprichting is. Daartoe moeten de volgende voorwaarden echter zijn vervuld:

  • De toekomstige verhuur moet zijn vastgelegd in een notariële akte;
  • De notariële akte moet de betrokken partijen en het betreffende onroerend goed duidelijk omschrijven;
  • Indien de oprichting van het gebouw nog moet starten, moet er reeds sprake zijn van een ontvankelijk en volledig verklaarde stedenbouwkundige vergunning;
  • De vorming van de btw-eenheid en de ingebruikneming van het gebouw moeten plaatsvinden in hetzelfde kalenderjaar.

Oprichting btw-eenheid na splitsing

Wanneer een vennootschap X wordt gesplitst in twee nieuwe vennootschappen (A en B), waarbij A een gebouw zal verhuren aan B, kan de aanvraag tot oprichting van een btw-eenheid tussen deze twee vennootschappen niet worden ingewilligd indien deze wordt ingediend vóór de splitsing, omdat er in principe niet voldaan is aan de economische verbondenheidsvoorwaarde.

Indien de splitsing en het afsluiten van de huurovereenkomst plaats vinden vóór de aanvraag tot oprichting van de btw-eenheid, kan deze verhuur wél worden gebruikt om de economische verbondenheid te bewijzen. Als A het gebouw echter verhuurt aan B met vrijstelling van btw, impliceert dit wel dat A in principe een btw-herziening moet verrichten. Om een belangrijke voorfinanciering in hoofde van A te vermijden aanvaardt de btw-administratie dat de btw-herziening in hoofde van A kan word uitgesteld tot de eerste btw-aangifte van de btw-eenheid, indien volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • De splitsing van de vennootschap en de inwerkingtreding van de huurovereenkomst gebeuren gelijktijdig;
  • Onverwijld na de splitsing (en het sluiten van de huurovereenkomst) wordt een geldige aanvraag tot oprichting van de btw-eenheid ingediend; en
  • De splitsing en de effectieve oprichting van de btw-eenheid vinden plaats in hetzelfde kalenderjaar.

Deze regels gelden ook in geval van een partiële splitsing van een vennootschap die vervolgens een btw-eenheid wil oprichten met de nieuw opgerichte vennootschap waarin de afgesplitste bedrijfstak werd ingebracht.

Verplichte uittreding bij insolvabiliteit

Volgens art 6 KB nr. 55 treedt een lid van rechtswege (i.e. automatisch) uit de btw-eenheid wanneer dat lid zich in een procedure van insolvabiliteit bevindt. De vertegenwoordiger van de btw-eenheid moet de btw-administratie hiervan binnen een termijn van 15 dagen na de uittreding via aangetekend schrijven op de hoogte brengen.

In haar Commentaar heeft de btw-administratie nu per procedure van insolvabiliteit verduidelijkt op welke datum de uittreding dan plaatsvindt:

  • Bij faillissement is dit op de datum van het vonnis van faillietverklaring;
  • Bij gerechtelijke reorganisatie (door collectief akkoord of overdracht onder gerechtelijk gezag) is dit op de datum van het vonnis over het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie waarbij de rechtbank de procedure voor geopend verklaart;
  • Bij collectieve schuldenregeling is dit op de datum van de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld bij artikel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek.

Deze automatische uittreding is echter niet van toepassing in geval van een vrijwillige ontbinding van een lid van de btw-eenheid.

Verdeelsleutel voor gemengde btw-eenheid bij toepassing van het werkelijk gebruik

In het verleden stelde de fiscus dat een gemengde belastingplichtige btw-eenheid die het werkelijk gebruik toepaste om haar recht op btw-aftrek te bepalen, geen gebruik kon maken van een verdeelsleutel gebaseerd op basis van het personeel of gepresteerde arbeidsuren.

De btw-administratie blijft dit standpunt hanteren, maar voorziet nu de mogelijkheid om dit toch toe te staan indien er geen betere verdeelsleutel bestaat. De toepassing van de verdeelsleutel op basis van het personeel of gepresteerde arbeidsuren moet wel worden aangevraagd via een gemotiveerd verzoekschrift.

Lees de nieuwsbrief (PDF)