« Alle nieuwsberichten

Nood aan een symmetrische behandeling bij de inbreng van een schuldvordering

De inbreng in natura van een schuldvordering kan tot een subjectieve discussie met de fiscus leiden en dit in het bijzonder wanneer de nominale waarde van de schuldvordering hoger is dan de werkelijke waarde. Op 11 juni 2020 oordeelde het Hof van Cassatie dat er een symmetrische behandeling moest gehanteerd worden in hoofde van respectievelijk de inbrengende en de inbrenggenietende vennootschap. Dit arrest is bovendien in lijn met het standpunt van de fiscus.

Een illiquide schuldvordering is een vordering waarvan de marktwaarde lager is dan de nominale waarde gelet op het feit dat de schuldenaar liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen heeft. Er stellen zich de volgende twee fundamentele vragen wanneer een inbreng van zulke schuldvordering beoogd wordt:

  • Tegen welke waarde kan de schuldvordering worden ingebracht in het kapitaal van de inbrenggenietende vennootschap die tevens de schuldenaar is van die vordering?
  • Tegen welke waarde moeten de aandelen die worden uitgegeven als vergoeding van de inbreng in natura worden geboekt op de balans van de inbrengende vennootschap?

BE GAAP behandeling voor de inbrenggenietende vennootschap

Samengevat kunnen zich volgens de Commissie voor Boekhoudkundige Normen de volgende scenario’s voordoen:

  • De schuldvordering kan worden ingebracht tegen de nominale waarde, ook al is de marktwaarde lager. In dat geval worden schuld en vordering op balans afgeboekt zonder dat dit invloed heeft op het resultaat van de inbrenggenietende vennootschap, of;
  • De schuldvordering kan worden ingebracht tegen de lagere marktwaarde, wat waarschijnlijk tot een uitzonderlijk resultaat zal leiden in hoofde van de inbrenggenietende vennootschap wanneer de schuld en de vordering vervolgens worden afgeboekt tegen elkaar.

De feiten van de rechtszaak

Belco (1) had een openstaande schuldvordering van EUR 100 op balans ten aanzien van Belco (2) waarop in de loop van voorafgaande jaren een waardevermindering van EUR 80 werd geboekt. Bijgevolg stond er een schuldvordering met een netto-boekwaarde van EUR 20 op balans. Belco (1) wou vervolgens de schuldvordering inbrengen in het aandelenkapitaal van Belco (2) tegen een waarde van EUR 100, zodoende Belco (2) toe te laten de openstaande schuld op balans af te boeken met de vordering. Ter compensatie van de inbreng in natura verkreeg Belco (1) aandelen van Belco (2) welke op balans opgenomen werden voor een waarde van EUR 20. Voorafgaand aan de inbreng in natura had Belco (1) eerst de voorheen aangelegde waardevermindering van EUR 80 teruggenomen en als verwezenlijkte minderwaarde op een vordering van EUR 80 in kosten geboekt.

Echter, de fiscus heeft de geboekte minderwaarde op vorderingen van EUR 80 geherkwalificeerd in een gerealiseerde minderwaarde op aandelen om deze vervolgens volledig te verwerpen voor vennootschapsbelasting doeleinden. Volgens de fiscus moesten de Belco (2) aandelen worden gewaardeerd aan EUR 100 waarna Belco (1) een minderwaarde op aandelen van EUR 80 had moeten boeken welke voor fiscale doeleinden niet aftrekbaar is. De fiscus interpreteert dus de Belgische boekhoudwetgeving op een manier waarbij een zekere symmetrische behandeling bij zowel de inbrengende als bij de inbrenggenietende vennootschap gehanteerd moet worden.

De uitspraak van de rechtszaak

Zowel de rechtbank van eerste aanleg van Brugge als het Hof van beroep van Gent bevestigden het standpunt van de fiscus.

Op 11 juni 2020 bevestigde het Hof van Cassatie de interpretatie van de fiscus waarbij de aandelen die werden uitgegeven naar aanleiding van een inbreng van een schuldvordering aan nominale waarde in het kapitaal, ook moeten worden opgenomen op balans van de inbrengende vennootschap voor de nominale waarde. Wanneer een waardevermindering op aandelen werd geboekt, is deze waardevermindering op te nemen in de verworpen uitgaven in de aangifte vennootschapsbelasting.

Uiteraard zou bovenstaande geen uitwerking kennen wanneer de schuldvordering werd ingebracht in het kapitaal voor de lagere marktwaarde waarbij de uitgifte van Belco (2) -aandelen aan de lagere marktwaarde zou worden opgenomen in de balans van Belco (1). In dat geval is er geen nood om een waardevermindering op de aandelen van Belco (2) te boeken. Belco (2) zal echter in dat geval wel een uitzonderlijke opbrengst in de resultatenrekening moeten opnemen ten belope van het verschil tussen de nominale waarde en de lagere marktwaarde van de schuldvordering.

Samengevat: de essentie van de rechtspraak is dat het Hof van Cassatie een symmetrische boekhoudkundige behandeling en waardering oplegt bij enerzijds de inbrengende en anderzijds de inbrenggenietende vennootschap bij de inbreng van de schuldvordering in kapitaal. Hoewel deze rechtspraak bekritiseerd wordt door bepaalde rechtsleer, moeten belastingplichtigen rekening houden met de interpretatie van het Hof van Cassatie. De Belgische fiscus zal dit wellicht ook doen bij controle.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60