« Alle nieuwsberichten

Hoe kan men de beroepsmatige tijd gespendeerd in het buitenland aantonen in geval van een salary-split?

Als een werknemer een grensoverschrijdende salary-split heeft, is deze belastbaar in meer dan één land en vraagt hij om belastingvrijstelling in zijn of haar land van fiscale woonplaats om dubbele belasting te vermijden. Om aanspraak te kunnen maken op een dergelijke vrijstelling van dubbele belasting, moet de werknemer aantonen dat hij fysiek beroepsmatige tijd in het buitenland heeft doorgebracht. Op 15 mei 2019 werpt het Brusselse Hof van Beroep een interessant licht op hoe die “buitenlandse werkdagen” moeten worden aangetoond.

De feiten waarover het Hof van Beroep van Brussel zich boog, zijn als volgt samen te vatten: de heer X is een Nederlander die in België woont en hier dus over zijn wereldwijd inkomen aan personenbelasting (“PB”) onderworpen is. Hij werkt als werknemer bij een Duits bedrijf (“GerCo”) waar hij de functie van Marketing Director bekleedt. GerCo stelt een appartement in Frankfurt ter beschikking van de heer X die ook regelmatig op zakenreis gaat buiten Duitsland en België.

De 183 dagen regel

Op basis van de zogenaamde 183 dagen regel zoals opgenomen in de dubbelbelastingverdragen en Belgische (en Duitse) interne wetgeving, is een werknemer belastbaar in zijn of haar woonstaat, tenzij:

  • De werknemer meer dan 183 dagen in de werkstaat spendeert, of;
  • Het loon van de werknemer gedragen wordt door een werkgever die gevestigd is in de werkstaat, of;
  • Het loon van de werknemer gedragen wordt door een vaste inrichting van de werkgever in de werkstaat.

Samengevat: in het geval dat een van deze uitzonderingen van toepassing zou zijn, is de werknemer belastbaar in de werkstaat op basis van “het aantal werkdagen gespendeerd in dat land” en moet hij een belastingvrijstelling claimen in zijn of haar woonstaat. In België heet zulke vrijstelling een vrijstelling met progressievoorbehoud.

Hoe kan het aantal dagen gespendeerd in de werkstaat aangetoond worden?

De heer X diende aan de Belgische fiscus aan te tonen dat hij effectief beroepstijd “in Duitsland” heeft doorgebracht om in België van de vrijstelling met progressievoorbehoud te kunnen genieten. Hierbij ging de Belgische fiscus “dag per dag” tewerk wat bleek uit het feit dat de heer X per beweerde dag van beroepstijd in Duitsland een bewijs van fysieke aanwezigheid aldaar moest voorleggen om het daarmee verband houdende salaris vrij te kunnen stellen in België. Omgekeerd: als dat bewijs niet wordt aangereikt, wordt dat loon onverkort in België belast. Het is ter zake overigens de zienswijze van de Belgische fiscus dat salaris dat verband houdt met zakenreizen buiten Duitsland evenzeer aan België toe te wijzen is en bijgevolg aan progressieve PB tarieven in België belast wordt.

Het Hof van Beroep van Brussel nuanceerde de interpretatie van de Belgische fiscus echter als volgt:

  • Met verwijzing naar een arrest van 28 mei 2004 van het Hof van Cassatie wat toeziet op werknemers die actief zijn op het stuk van internationaal transport, benadrukte de Brusselse rechter dat het bewijs inzake “beroepstijd in de werkstaat” geen aanhoudende en permanente aanwezigheid aldaar vergt;
  • Bijgevolg hoeft een werknemer geen logboek bij te houden met zijn of haar whereabouts op dagbasis;
  • Bijgevolg kunnen occasionele zakenreizen buiten de werkstaat vooralsnog als beroepstijd doorgebracht in de werkstaat aangemerkt worden voor zover deze zakenreizen verband houden met de arbeidsovereenkomst die is afgesloten met de werkgever die is gevestigd in de werkstaat;
  • Refererend aan een circulaire van 11 mei 2006 van de Belgische fiscus wordt er tevens op gewezen dat wanneer een arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk een plaats van tewerkstelling in een bepaald land definieert dit als een sterke aanwijzing van het doorbrengen van beroepstijd op die locatie kan worden beschouwd.

Deze uitspraak van het Hof is zeer welgekomen voor de Belgische belastingbetalers, aangezien het praktische richtlijnen biedt om een grensoverschrijdende salary-split te verwerken in een Belgische PB. Meer fundamenteel, versoepelt deze zaak bij het Hof de nogal strenge en tijdrovende “dag-per-dag” benadering die soms door de Belgische fiscus wordt gevolgd.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60