« Alle nieuwsberichten

Btw-aftrek als derde mee geniet van gemaakte kosten

In welke mate kan er btw-aftrek gelden als een derde partij meegeniet van bepaalde kosten die een belastingplichtige draagt?  Het Hof van Justitie heeft hier recent iets meer duidelijkheid in geschept.

In de praktijk kunnen er zich verschillende situaties voordoen waarbij een onderneming een kost oploopt die ook een derde tot voordeel strekt.  Zo’n situatie doet zich al snel voor wanneer er sprake is van mede-eigendom.  Maar dit gebeurt evenzeer wanneer bijvoorbeeld een meerderheidsaandeelhouder transactiekosten oploopt in het kader van de verkoop van zijn participatie, en op basis van een ‘drag along’ recht ook een minderheidsaandeelhouder kan mee doen verkopen.  Of wanneer een huurder werken uitvoert in het gebouw dat hij huurt, die ook de verhuurder tot voordeel strekken.

Voor de situatie waarin een huurder werken uitvoert in het gebouw dat hij huurt, heeft de btw-administratie in 2019 reeds verduidelijkt in welke mate er een recht op btw-aftrek kan gelden.  Voor andere situaties waar een derde meegeniet van een kost die door een onderneming wordt gemaakt, waren de spelregels tot voor kort minder duidelijk.  Ondanks eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie dat het loutere feit dat een derde meegeniet van de gemaakte kosten op zich geen reden is om de btw-aftrek te weigeren, probeerde de Belgische btw-administratie in de praktijk toch vaak de btw-aftrek te beperken, op basis van uiteenlopende argumenten.

Een van de situaties die de laatste jaren fel in het vizier werd genomen door de Belgische btw-administratie, betreft de btw-aftrek op promotie- en verkoopkosten die worden opgelopen door een projectontwikkelaar die bouwt op andermans grond.  Net in zo’n zaak heeft het Hof van Justitie recent haar standpunt verduidelijkt (zaak Vos Aannemingen, C-405/19).  Deze rechtspraak is echter ook relevant voor andere situaties waarin een derde meegeniet van een kost.

Wanneer een derde meegeniet van bepaalde kosten, moet volgens het Hof van Justitie voor de beoordeling van het recht op btw-aftrek een onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties:

  • Wanneer de kosten niet toewijsbaar zijn aan een welbepaalde handeling in een later stadium, maar deel uitmaken van de algemene kosten (en dus betrekking hebben op de gehele economische activiteit), dan verhindert het feit dat een derde meegeniet de btw-aftrek niet. Op voorwaarde weliswaar dat het voordeel dat de derde er uit put ondergeschikt is aan de behoeften van de belastingplichtige die de kosten oploopt.
  • Wanneer de kosten wel toewijsbaar zijn aan een welbepaalde handeling in een later stadium, waarvan sommige door de belastingplichtige en andere door een derde worden verricht, dan gelden andere regels

De belastingplichtige kan dan recht op btw-aftrek genieten in de mate de betrokken diensten effectief zijn verleend om het hem mogelijk te maken zijn belaste handelingen te stellen. Indien een deel van de kosten geen verband houdt met zijn handelingen maar met die van een derde, kan er geen btw-aftrek gelden voor dat gedeelte.  Het feit of (en de mate waarin) de kosten worden gebruikt voor de handelingen van de belastingplichtige moet worden beoordeeld op basis van de objectieve inhoud van de verworven diensten, en de gehele economische en commerciële realiteit.  Het loutere feit dat de belastingplichtige de kosten kan doorberekenen aan de derde is in dit verband een aanwijzing, maar op zich niet doorslaggevend.

De btw-administratie kan dus niet zomaar de btw-aftrek verwerpen omdat een derde meegeniet van de gemaakte kosten.  Maar dit betekent niet dat de volledige btw-aftrek in hoofde van de belastingplichtige gegarandeerd is.  Doordat de aftrekbaarheid van de btw afhangt van de beoordeling van de feiten zal dit in de toekomst zeker nog tot de nodige discussies leiden.  Aangezien het aan de belastingplichtige is om zijn recht op btw-aftrek te bewijzen, beoordeelt hij dus best grondig hoe sterk zijn ‘case’ is.  De aard en de specifieke eigenschappen van de relatie tussen de belastingplichtige en de derde ‘meegenieter’ zal hier een belangrijke rol in spelen.   Ook het feit of de derde effectief zelf een handeling stelt lijkt ons een relevant gegeven, want uiteindelijk heeft het Hof zich niet uitgesproken over de situatie waarin een derde louter passief meegeniet.

Contacteer

Kurt De Haen

E: kurt.dehaen@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60

Wouter Brackx

E: wouter.brackx@pkf-vmb.be
T: +32 (0)2 460 09 60